Een fragment van het verhaal wat (oom) Peter Lammers in september 1985 over de Tweede Wereldoorlog is gaan schrijven. Hij verhuisde tijdens deze oorlog met zijn gezin van Alphen naar Horssen en werd hier “hoofd der school”.

Het wordt een drieluik.

 

Lezen, puzzelen, schaken (met de computer), het wordt op den duur wat eentonig. Maar wat anders te doen? 

Toen dacht ik: kom, laat ik voor de kinderen, maar vooral voor de kleinkinderen, eens vertellen – zij het heel in het kort – hoe opa en oma de oorlogsdagen in mei ’40 en de bezettingstijd ’40-’45 hebben doorleefd. 

Maar zo hier en daar, moet ik ter verduidelijking, een beetje “algemene geschiedenis” tussen voegen.

 

Het Voorspel

Die verschrikkelijke jaren, die miljoenen mensen het leven hebben gekost, zijn feitelijk al begonnen op 30 januari 1933. Toen immers werd Hitler – in feite de moordenaar van al die mensen – benoemd tot Kanselier van Duitsland. Zijn hoofddoel en zijn enigste streven was – ook al gooide hij dat in zijn brallende toespraken ver van zich af – uitbreiding van het Duitse Rijk. En om dit doel te bereiken was de grootste leugen ook de grootste waarheid als . . . . . het gestelde doel daarmee maar naderbij werd gebracht. 

Daarom moesten er dus schuldigen gevonden worden, die dat doel in de weg stonden. Dat waren in de eerste plaats de Joden. Maar verder ook zigeuners, geestelijk en lichamelijk gehandicapten en iedereen die blijk gaf – of zelfs maar de schijn daarvan – dat hij het niet eens was met Hitler en consorten.

 

Al deze mensen werden òf opgeruimd, òf in een concentratiekamp gestopt. Van dit alles wist men echter in het begin maar heel weinig. Bovendien werd men enigszins verblind door de grote materiële vooruitgang in Duitsland, terwijl er in de buurlanden, eigenlijk in de hele wereld, nog een diepe economische crises heerste.

Het gevolg hiervan was, dat ook in ons land een fascistische partij werd opgericht, met Mussert als leider. Om boven genoemde redenen steeg het aantal leden van deze N.S.B. de eerste jaren schrikbarend. Bij de Kamerverkiezingen van ’35 behaalden ze zelfs 8 % van de stemmen. Geleidelijk kwamen de mensen echter achter de “werkelijk waarheid” en . . . . . een sterke daling van de N.S.B. was het gevolg.

Ik zei al dat feitelijk in ’33 de oorlog al begonnen was, met de benoeming van Hitler. In ’35 verklaarde hij het Saargebied tot een deel van Duitsland (was sinds 1918 een deel van Frankrijk). In ’36 ging hij over tot de militaire bezetting van het Rijnland, wat krachtens het Vredesverdrag ’14 – ’18 niet mocht.

In maart ’38 volgde de Oostenrijkse Anschluss en in sept. ’38 werd het Sudetengebied ingelijfd (was een deel van Tsjechië- Slowakije).

 

Mijn Eerste Mobilisatie

Tijdens de spannende dagen die aan deze inlijving vooraf gingen, vertrouwde men ook in ons land Hitler niet meer. Daarom werden de grensbewakingen gemobiliseerd. Op een behoorlijke afstand van de grens werden soldaten “op wacht” gezet. Ik moest ook “opkomen”. 

In ’30 had ik dienst verlaten als sergeant. In de jaren daarna drie keer opgeroepen voor Herhalingsoefeningen in Venlo. Ons regiment werd gelegerd langs de Maas met Boxmeer als centrum.

Mijn functie was niet: sergeant bij de “troep”, maar Menagemeester. Had daar geen opleiding voor gehad en moest het dus zelf maar uitzoeken. Gelukkig duurde deze mobilisatie maar een week. Want Engeland en Frankrijk waren met Hitler wezen praten en deze beloofde, nu de Sudeten-Duitsers weer terug “ins Heimat” waren, hij geen verdere aspiraties meer had. En Chamberlain (Eng.), die desondanks zijn zorg daarover uitsprak, kreeg van Hitler ten antwoord: “Wir wollen gar keine Tsjechen”.

mobilisatieWij konden dus weer, via Venlo, naar huis.

 

Tweede mobilisatie

In de winter ’38 – ’39, maar meer nog in het voorjaar, werd de spanning door Hitler – ondanks zijn belofte – almaar opgevoerd. Hij werd daarbij trouw ter zijde gestaan door Mussolini (Italië). Toch dachten we niet aan oorlog. En, mocht dat toch het geval zijn, dan zouden wij er, net als in ’14 – ’18, wel buiten blijven. Op Paasdag ’39 viel toen het Italiaanse leger Albanië binnen. Was ver weg, maar . . . . . Hitler liet zich ook niet onbetuigd. Bijna geen dag ging voorbij, of hij hield een van zijn brallende redevoeringen. En het Duitse volk werd steeds meer opgezweept. Het “Sieg Heil” was dan ook niet van de lucht. En . . . . . de Duitse troepen marcheerden Praag binnen. 


Weer mobilisatie van de grensbewakingstroepen. En weer was ik er bij. Op Paasmaandag kreeg ik het Oproepingsbevel om de volgende dag in Venlo te verschijnen. 

Nu kwamen we terecht in Vierlingsbeek. Onze keukenwagen kwam in de werkruimte van een timmerbedrijf te staan. En op drie plaatsen in het dorp werden soldaten ingekwartierd. 

Wij, de drie man keukenpersoneel en ik, kregen ons thuis bij de familie Geurts. Buitengewoon aardige mensen, die niets liever deden dan je overal mee helpen. Het gezin bestond uit vader, moeder en twee zoons, waarvan de oudste ook timmerman was en de jongste op het gemeentehuis werkte. Ze maakten hun huis ook een thuis voor ons. 

 

Bij de keuken hoorde een vrachtwagen. Hiermee reden Jan, de chauffeur, en ik elke dag naar Boxmeer om vlees en brood te halen. En dan ook twee keer per dag het dorp rond om eten bij de soldaten te brengen. Tussendoor had ik niet veel te doen. Wel was ik uiteraard verantwoordelijk voor hoeveelheid en kwaliteit van het eten voor de 120 eters. Maar de kok was prima en we hebben nooit geen moeilijkheden gehad. 


Er werden dus heel wat uurtjes doorgebracht met lezen. Toen kwam Jan op het idee om me te leren rijden. We begonnen op een braakliggend terrein met onze achttons Chevrolet. Maar al gauw kon ik de weg op. En na enkele weken, als Jan verlof had, reed ik de wagen. Ik heb toen ook een aanvraag ingediend voor een rijexamen. Dat was heel wat makkelijker dan tegenwoordig.

 

Toen kwam ik op zekere dag op het bureau, waar de sergeant-majoor een verzoekschrift aan het schrijven was om vrijstelling. Ik las dat en “zo’n soort reden kan ik ook wel aanvoeren”.

“Dan moet je dat doen. Er zijn er genoeg, die graag je plaats overnemen”. Wat was namelijk het geval?
Als onderofficier had je een behoorlijk salaris. Er waren echter heel wat “collega’s” niet in dienst en werkeloos. En in de crises van toen kreeg je óf niets, óf maar een heel magere uitkering. En die collega’s wilden dolgraag je plaats innemen. 


Bij mijn eerstvolgende verlof naar de burgemeester. Ik kreeg van hem een ondersteunend schrijven en binnen veertien dagen was ik thuis. De oproep voor het rijexamen heb ik maar laten schieten. Er was in Alphen maar één auto en . . . . . ik zag geen kans dat we ooit zo’n ding zouden kunnen kopen.

Zoals reeds gezegd, werd ik met Pasen opgeroepen, ik meen op 7 april. Je kunt begrijpen dat ik met loden schoenen mijn soldaten pakje aantrok. Niet omdat ik bang was, want wij zouden toch wel niet bij een eventuele oorlog betrokken worden. Maar . . . . . Moesje (tante Gerda) was in verwachting van Joop. Hoe moest dat nou? Het kon elke dag gebeuren. Maar ik stond machteloos. Als het zover was, ja dan zou ik wel verlof krijgen, maar . . . . . die onzekerheid. Tante Drika is toen enkele nachten komen slapen. En toen Joop geboren werd, was ik thuis met verlof. En mocht natuurlijk een paar dagen blijven.

 

Derde Mobilisatie

Peter vertelt verder over de algemene mobilisatie. Hij werd vooreerst in Den Haag als menagemeester op de garnizoensplaats van De Jagers gestationeerd. Door een techniek uit te vinden voor het goed koken van aardappels, haalde hij een wit voetje bij de kapitein. Binnen een week werd hij overgeplaatst naar Druten. Met de trein naar Tiel. Daar zijn eerste telefoongesprek ooit met zijn thuisfront gevoerd. Er waren toen maar twee telefoonaansluitingen in Alphen.


In een open schuur bij de familie Van Asdonk in Afferden richtten ze hun keuken in. Af en toe met de fiets op en neer naar Alphen. Het was een koude winter, de Waal was zelfs dicht gevroren. 

Precies wanneer weet ik niet meer. Ik meen echter dat het half februari was, dat Moesje met Nelly en Jopie naar Afferden kwamen om er . . . . . voorlopig te blijven. Het was me namelijk gelukt een kosthuis te vinden bij een bakker, met vrouw en twee kinderen. Het was helemaal niet duur. En daar hadden we dan een ruime woonkamer en een slaapkamer voor en . . . . . de kost. Bovendien hoefde ik niet meer bij de troep te eten en daar stond een behoorlijke vergoeding tegenover. 


Op 1 mei zou tante Jo trouwen. Moesje met de kinderen naar Alphen. Moesjes vader had echter graag, dat ze nog een paar dagen zouden blijven. Dat gebeurde. En ik fietste dus weer op en neer. Niet lang echter, want een paar dagen later werden alle verloven ingetrokken en de alarmtoestand afgekondigd.
En toen . . . . . 

 

Coen van Wichen